[bron: OncoNL]
Data en spiegelinformatie kunnen zorgprofessionals waardevolle inzichten geven in de kwaliteit van zorg. Maar inzicht alleen leidt niet automatisch tot verandering. Maaike van der Aa, hoofdonderzoeker van de afdeling Research & Development bij IKNL, en Cor de Kroon, gynaecoloog-oncoloog bij LUMC/OncoWest en voorzitter van de landelijke werkgroep Oncologische Gynaecologie, vertellen hoe inzichten uit data leiden tot blijvende verbeteringen in de dagelijkse praktijk.
De uitdaging van het omzetten van data naar verbeteringen herkent Maaike maar al te goed. “Je gaat altijd met applaus weg. Interessante data, leuke inzichten, goede discussie. Maar de volgende ochtend staat de dokter weer op de OK of de verpleegkundige weer aan het bed en denkt misschien nooit meer aan die presentatie van gisteren.”
Heel herkenbaar voor veel onderzoekers en adviseurs die zich bezighouden met kwaliteitsverbetering in de zorg. Hoe waardevol data ook zijn, de echte opgave begint pas nadat de presentatie is afgelopen. De ambitie van IKNL/DICA is daarom om niet alleen verschillen zichtbaar te maken, maar vooral om zorgprofessionals te ondersteunen bij samen leren, verbeteren en het daadwerkelijk doorvoeren van verbeteringen in de praktijk.
De vraag achter de cijfers
De regionale oncologienetwerken bespreken regelmatig uitkomsten van zorg met behulp van de regiorapportages van IKNL. Zorgprofessionals van een tumortypenetwerk (TTN) gaan hierbij met elkaar in gesprek over hoe de verschillende ziekenhuizen het doen op een aantal indicatoren. Deze indicatoren gaan verder dan alleen overlevingscijfers of complicaties. Juist cijfers over doorlooptijden, wachttijden en opnameduur vertellen vaak veel over hoe zorg georganiseerd is.
“Het interessante is niet zozeer dat er verschillen zijn”, vertelt Maaike. “Het interessante is dat je kunt onderzoeken waar die verschillen vandaan komen: de vraag achter de cijfers dus.” Een ziekenhuis met een langere doorlooptijd tussen diagnose en behandeling kan nog steeds voldoen aan de norm, maar als een ander centrum aantoonbaar een kortere doorlooptijd heeft is het interessant om te kijken hoe dit komt. “Juist die vraag – wat doen zij anders? – vormt vaak het begin van een waardevolle discussie.”
Volgens Cor zit de waarde van spiegelinformatie niet in de cijfers zelf, maar in wat ze losmaken. “Waar het over gaat is de discussie die ontstaat. De diepere laag achter de data is cruciaal om samen te kunnen verbeteren.” Juist door verschillen zichtbaar te maken, ontstaat ruimte om met elkaar te onderzoeken welke keuzes en werkwijzen achter de resultaten schuilgaan.
Hoe één getal een waardevol gesprek op gang bracht
Een voorbeeld dat veel indruk maakte, kwam uit een bespreking binnen OncoWest. Tijdens een analyse van de zorg voor patiënten met baarmoederkanker bleek dat één ziekenhuis patiënten met een relatief eenvoudige vorm van endometriumcarcinoom nog dezelfde dag naar huis liet gaan na hun operatie.
Nul opnamedagen. De zorgprofessionals uit de verschillende ziekenhuizen waren verrast. “In andere ziekenhuizen werden patiënten gemiddeld één dag of langer opgenomen. Nog steeds binnen alle richtlijnen, maar het verschil was opvallend genoeg om verder te onderzoeken”, vertelt Maaike.
Wat volgde was precies het soort gesprek waar regionale spiegelinformatie voor bedoeld is. De betreffende gynaecoloog vertelde hoe het ziekenhuis dit had georganiseerd. Welke aanpassingen daarvoor nodig waren. Hoeveel inspanning het kostte om dit proces draaiende te houden. Maar ook welke uitdagingen erbij kwamen kijken. Want niet iedere patiënt wil dezelfde dag naar huis. En niet ieder ziekenhuis kan het operatieprogramma zo inrichten dat patiënten vroeg genoeg worden geopereerd om aan het einde van de middag veilig naar huis te kunnen. Het ging over keuzes, belangen, organisatie van zorg en uiteindelijk over wat het beste is voor patiënten.
Voor Cor laat dit voorbeeld zien waarom regionale spiegelinformatie zo krachtig is. “Als je het anders organiseert, kan dat echt een verschil maken.” Het gesprek ging dan ook niet alleen over de uitkomst zelf, maar vooral over de vraag welke organisatorische keuzes andere ziekenhuizen eventueel zouden kunnen overnemen.
Alleen applaus verandert geen zorg
Toch blijft er volgens Maaike vaak iets knagen na zulke bijeenkomsten. Want hoe inspirerend de gesprekken ook zijn, wat gebeurt er daarna? “Je gaat weg met applaus. Iedereen vindt het interessant. Maar vervolgens gaat iedereen weer terug naar zijn eigen praktijk.”
Daarmee raakt Maaike aan misschien wel de grootste uitdaging van kwaliteitsverbetering: hoe zorg je ervoor dat goede ideeën niet blijven hangen in de vergaderzaal? Zoals het nu gaat, worden de rapportages na verloop van tijd opnieuw besproken en worden de cijfers opnieuw bekeken. Maar een actieve opvolging van concrete verbeterafspraken gebeurt nog onvoldoende.
De ambitie van de oncologienetwerken is om veel meer te gaan werken volgens een continue verbetercyclus. Niet alleen inzicht geven, maar ook vastleggen welke acties ziekenhuizen willen ondernemen en op een later moment terugkomen om te bespreken wat daarvan terecht is gekomen.
“Eigenlijk zouden we tijdens zo’n bijeenkomst al moeten vragen: wat gaan jullie hiermee doen? En vervolgens een half jaar later weer contact opnemen.” Dat klinkt eenvoudig, maar vraagt veel van zorgprofessionals die hun tijd al hard nodig hebben voor patiëntenzorg.
Verbeteren vraagt eigenaarschap
Volgens Maaike ligt de sleutel niet alleen bij onderzoekers of adviseurs. Succesvolle kwaliteitsverbetering vraagt om eigenaarschap binnen de netwerken zelf. Daarom spelen voorzitters van TTN’s een cruciale rol. Zij kunnen het gesprek voeren over welke verschillen acceptabel zijn en welke aanleiding vormen om gezamenlijk verbeteringen na te streven.
Voorzitters kunnen die discussie aanjagen en gezamenlijk ambitieniveaus formuleren die verder gaan dan alleen het voldoen aan normen. “Je hebt mensen nodig die zeggen: we willen hier als netwerk iets mee.”
Cor ziet daarbij veel potentieel in een netwerkbenadering. “Ik denk dat we van samen leren en verbeteren als netwerk echt beter kunnen worden.” Volgens hem ontstaat kwaliteitsverbetering vooral wanneer zorgprofessionals bereid zijn om niet alleen naar hun eigen resultaten te kijken, maar ook actief van elkaar te leren.
De kracht van motivatie
De regionale oncologienetwerken zien dat sommige TTN’s actiever en intensiever samenwerken dan andere. Succes is daarbij niet alleen afhankelijk van structuur. Minstens zo belangrijk is intrinsieke motivatie. Als professionals gezamenlijk voelen dat er iets te verbeteren valt, ontstaat energie. Als andere belangen domineren, kan zelfs betrouwbare data onderwerp van discussie worden.
Om het verbeterproces beter te ondersteunen ontwikkelt IKNL momenteel nieuwe online regiorapportages. Voor tumortypes zoals colorectaal carcinoom en slokdarm- en maagkanker zijn de eerste interactieve dashboards inmiddels beschikbaar. Waar rapportages vroeger handmatig werden samengesteld in PowerPoint, kunnen voorzitters nu vooraf zelf door de gegevens bladeren, verschillen bekijken en alvast nadenken over onderwerpen die zij willen bespreken. Dat moet helpen om het eigenaarschap verder te vergroten.
Daarnaast ziet IKNL veel kansen in de samenwerking met kwaliteitsfunctionarissen binnen de netwerken. Deze professionals hebben kwaliteitsverbetering expliciet als opdracht en kunnen helpen om verbeterinitiatieven daadwerkelijk te volgen en te borgen.
Tegelijkertijd benadrukt Cor dat de ontwikkeling van datatools nooit een doel op zich mag worden. “Als je een tool ontwikkelt voor data, doe dat dan altijd samen met patiënten en zorgprofessionals.” Alleen dan sluiten de inzichten aan bij de dagelijkse praktijk en bij wat voor patiënten daadwerkelijk van waarde is.
Van inzicht naar impact
Samenvattend is de vraag van IKNL/DICA aan de regionale oncologienetwerken: Help ons om draagvlak te creëren binnen de TTN’s, zodat wij de oncologienetwerken optimaal kunnen helpen om kwaliteitsverbeteringen door te voeren.
Maaike: “De instrumenten om te leren en verbeteren zijn er. De data zijn er. De voorbeelden zijn er ook. De vraag is nu hoe die inzichten kunnen worden omgezet in blijvende verandering. Daarvoor zijn betrokken voorzitters nodig. Gemotiveerde zorgprofessionals. Kwaliteitsfunctionarissen die verbeteringen helpen bewaken. Zodat we niet alleen de cijfers presenteren, maar ook het gesprek rondom deze data gaande kunnen houden.”
Want uiteindelijk draait het niet om mooie rapportages of geslaagde bijeenkomsten. Het draait om patiënten die profiteren van wat zorgprofessionals van elkaar leren. Daar zijn Maaike en Cor het over eens: data zijn niet het eindpunt, maar het begin van een gesprek dat moet leiden tot betere zorg.
Zoals Maaike aan het begin van dit interview al benadrukte:
“Wij willen niet dat het bij applaus blijft. We willen dat mensen er daadwerkelijk mee aan de slag gaan.”